woensdag 6 november 2013

klas 4, Erik of het kleine insectenboek, beeldende opdracht


Erik of het kleine insectenboek
Beeldende opdracht


Wij hebben voor de beeldende opdracht vijf foto’s gemaakt. We hebben verschillende elementen uit Eric die wij belangrijk vonden, vertaalt in een foto. Deze foto’s hebben wij zo gemaakt dat het lijkt alsof we de grootte van een mier hebben.
In het boek krijgt Erik ook de grootte van een insect als hij Wollewei instapt. Op de eerste foto hebben wij de nadruk gelegd op Erik’s lengte. We hebben een foto gemaakt waarin wij net zo groot lijken als een insect.





De foto op de grasspriet hebben we gemaakt omdat Erik in het boek hierover vertelt. Hij vertelt over hoe het is om door de grassprieten te lopen. Erik vindt de grassprieten erg groot. Ook wonen een aantal van de insecten die Erik ontmoet op een grasspriet. Daarom hebben wij een foto gemaakt waarop een van ons op de grasspriet zit.



Op de cover van Erik staan allerlei insecten. Daarom hebben wij een foto gemaakt met de cover. We hebben onszelf als ‘ insecten’ er tussen geplakt. Erik ziet er nog als mens uit, maar heeft de grote van een insect. Op de cover zitten wij als mensen tussen de insecten. Daarnaast hebben wij de coverfoto gekozen om de relatie met het boek te benadrukken.



In Wollewei wordt een klein grasveld een soort natuurgebied voor Erik. Alles lijkt ook veel groter. Erik ziet veel meer details. Daardoor wordt iets ‘simpels’ als een grasveld veel interessanter en mooier. Het ogenschijnlijk niet bijzondere grasveld wordt zo een gebied vol verassingen. Daarom hebben wij een foto op het grasveld genomen.


Aan het eind van het boek verblijft Erik enige tijd bij de mieren. De mieren vinden hem maar een vreemd wezen. We hebben een foto van ons in een mierennest gezet. Het lijkt een beetje vreemd, net zo als de mieren Erik vreemd vonden.




Nadat Erik een tijdje in het slakkenhotel is verbleven reist hij een stukje verder op de rug van een vlinder. Hier hebben we ook een foto van gemaakt.


klas 4, verwerkingsopdracht 2, literatuur vertelinstanties

Lucia of de verteller

De schilder en het meisje van Margriet de Moor is geschreven in de auctoriale vertelsituatie. Het verhaal wordt verteld door een verteller. Die beschrijft de gebeurtenissen en geeft zijn mening.
Een schitterend gebrek van Arthur Japin is geschreven in de ik-vertelinstantie. Lucia vertelt over haar leven in Amsterdam. Naast de dingen die ze meemaakt, beschrijft ze haar gevoelens.

In De schilder en het meisje worden de gedachtes en gevoelens van de hoofdpersonen niet beschreven. Hierdoor leer je de hoofdpersonen alleen maar kennen door wat de verteller over hen vertelt. Je weet veel meer over Lucia omdat je haar gevoelens en gedachtes kent.  


Mijn voorkeur gaat uit naar de ik-vertelinstantie. Ik vind een boek leuker als je ook de gedachtes en gevoelens van de hoofdpersonen leert kennen. Deze vertelsituatie kan je soms op het verkeerde been zetten. Dat komt omdat je de gebeurtenissen meemaakt door wat je hoofdpersoon hier over denkt of zegt. Wat de hoofdpersoon is een interpretatie. Je weet alleen hoe de hoofdpersoon het ervaren heeft. 

De verteller beschrijft de gebeurtenissen en is meestal een betrouwbaardere vertelinstantie. Doordat je soms op het verkeerde been wordt gezet, is het boek verrassend. Je verwacht sommige dingen niet. Ik vind het leuk als er in een boek dingen gebeuren die de hoofdpersoon niet verwacht had. Als het blijkt dat de hoofdpersoon bepaalde dingen anders opvat dan dat ze bedoelt zijn, vindt je hier verschillende aanwijzingen voor. Dat maakt dat je verder wilt lezen om te weten wat er echt is gebeurt of werdt bedoelt.